Verhaal van Fred

Ik was 14 jaar…Oorlog…

Fred Bergfeld over zijn leven in en na de oorlog.
Toen in 1940 de oorlog begon was ik 14 jaar. Vergeleken met nu – 2003 – in de ogen van ouderen een kind. Fred met zijn moederJullie zijnimage-fred-idanu veel mondiger en weten veel meer van de wereld af. De beelden van de oorlog in het voormalig Joegoslavië, Kosovo en Sebrenica zie je op TV. Ook de beelden van honger lijdende leeftijdgenootjes kennen jullie. TV was in 1940 volledig onbekend.

Ik wist toen wel dat oorlog een verschrikkelijke gebeurtenis in het leven van mensen was. De geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) kende ik heel goed van school: de loopgraven bij Verdun, het gebruik van mosterdgas, de Belgische vluchtelingen die naar ons land kwamen.

Sigarenwinkel
Ons gezin woonde in Amsterdam West in de Cabotstraat waar mijn vader een sigarenwinkel had. Ik sliep in een kamertje achter de winkel. Ik kon naar de gesprekken luisteren die in de winkel werden gevoerd en die gingen vaak over Duitsland, Hitler en de fascisten. In onze buurt woonden veel havenarbeiders, die ‘s ochtends vanaf halfzeven de winkel inkwamen om hun pakje zware shag met vloei te kopen. Van hun luide stemmen werd ik wakker. Veel praten deden ze niet maar hun commentaar op de gebeurtenissen van die dagen logen er niet om. Antifascisten waren ze en dat staken ze niet onder stoelen of banken.

De Orteliuskade
Op de dag dat de oorlog uitbrak had ik als kind een mengeling van gevoelensimage-fred-amersfoort
Een vage angst, maar ook een niet te bedwingen nieuwsgierigheid. Ik had een fiets, die door een oom uit allerlei onderdelen van andere fietsen in elkaar was gezet. Daarop reed ik in die oorlogsdagen (Mei 1940) naar de verschillende plekken in Amsterdam West, want er waren geruchten te over.

Bij de Orteliuskade aan de rand van West zouden Duitse parachutisten zich in een boerderij verscholen hebben. Ik op de fiets daarheen. Maar de kade was afgezet en ik werd met andere mensen teruggestuurd: “Ga weg, anders word je neergeschoten”. Even zag ik nog twee soldaten met een machinegeweer op een driepootje ingespannen naar het land turen. Achteraf bleek er niets aan de hand.

De capitulatieimage-fred-kinderen-van-toe
Op 14 mei – de laatste dag voor de capitulatie – reed ik naar de Aalsmeerweg. Daar begon de oude autoweg naar Schiphol en die ging verder naar den Haag en Rotterdam. Rotterdam was gebombardeerd dat was over de radio bekend gemaakt. Er stonden groepjes mensen te praten. Toen kwam er zo’n ouderwetse vrachtauto aanrijden en wat die inzittenden aan de omstanders vertelden was huiveringwekkend; zo in de trant van “Het bloed stroomt door de straten”.

Diep onder de indruk ging ik naar huis en kon toen nog niet weten dat die oorlog mijn verdere leven zou bepalen. Enige dagen later trokken de Duitsers Amsterdam binnen langs de Hoofdweg en de Jan Evertsenstraat; een eindeloze colonne waar geen eind aan leek te komen. Maar zij reden rondjes door stad om indruk op de mensen te maken.

Werken
Of het toeval was weet ik niet meer, maar ongeveer tegelijkertijd met het uitbreken van de oorlog haalden mijn ouders mij van school. Ik had daarin niets te vertellen, dat ging nu eenmaal zo in die tijd. Ik moest een vak leren want “Dan hoefde ik nooit mijn hand op te houden”. Kleermaker moest ik maar worden.

Bij mijn eerste baas verdiende ik een gulden in de week. Dat is tegenwoordig minder dan 50 eurocent. Nou ja 2,5 euro misschien want alles was toen wel goedkoper. Werken van 8 uur in de ochtend tot half zes ‘s avonds en soms werd dat zes uur of nog later. Het atelier was op de Prinsengracht en ik liep dat eind iedere dag vanuit de Cabotstraat en terug. Mijn fiets was stuk en niet meer te repareren.

Februaristaking
Op de avond van 25 februari 1941 liep ik dus weer naar huis. De Februaristaking was die dag een feit. Onderweg op de hoek Overtoom en Constantijn Huijgenstraat riepen de mensen niet door de Kinkerbuurt te lopen, want daar werd geschoten.

Ik wist waarom die staking plaats vond. Het was een protest tegen het wegvoeren van Joodse Amsterdammers. Het vervulde mij met trots en het maakte mij ook bang.

Ik las de aanplakbiljetten waarop arrestaties bekend werden gemaakt en later ook de doodvonnissen. De veroordeelden werden misdadigers en terroristen of communisten genoemd. Er stonden mensen te lezen die mompelend wegliepen. Men was er zich toen al van bewust niet hardop commentaar te geven maar in veiliger situaties deden ze dat wel. De angst sloop bij de mensen binnen.

Moffen
Rond het korfbalterrein aan de overkant van onze winkel was een aantal scholen. De Duitsers namen die scholen in beslag en het korfbalterrein werd een appèlplaats waarop ook hun vrachtwagens werden gestald. Die wagens werden gebruikt om de uit hun huizen gejaagde Joodse mensen weg te voeren.

De Duitse soldaten namen het ervan. De winkels werden leeg gekocht ook die van mijn vader. Ze waren gek op Hollandse sigaren en stuurden die vaak naar huis in Duitsland. Ik zal nooit vergeten dat op een dag zo’n Duitse legerwagen door de straat reed en de soldaten op de achterbank lachend en schreeuwend gerookte paling zaten te eten en die uitdagend omhoog hielden. Ik liep naast een man die zich niet kon bedwingen en riep “Vreet je maar dood”

Het werk op de Prinsengracht was van korte duur, want voor die piek in de week moest ik ook zaterdag werken. Kostuums wegbrengen in een zwart kleermakerskleedje op het stuur van ‘de fiets van de baas’ door alle weersomstandigheden. Sneeuw, gladheid en regen en natuurlijk ook wel bij goed weer. Maar dat moest altijd na werktijd, zodat ik soms pas laat thuis kwam want de fiets moest eerst worden teruggebracht en dan moest ik nog naar huis lopen.

Het waren ook reparaties die ik weg moest brengen – rafelige randen of versleten ellebogen aan mouwen – dan riep ik onderaan het trappenhuis “kleermaker”. Dat leverde wel eens een fooitje op vijf cent. Toen kon je er nog wel een gevulde koek voor kopen.

De baas werkte ook voor de moffen – toen en ook later een scheldnaam voor Duitsers. Op een ochtend moest ik weer zo’n maatuniform afleveren aan een Duitse officier, die in een villa achter de Amstelveense weg was ingekwartierd. In de straat stonden de vrachtwagens van het korfbalterrein. De Gestapo – Duitse soldaten – haalde mensen uit huis waaronder zeer oude mensen. Het was een razzia in een bejaardentehuis. Die gewone soldaten – ik herkende ze wel – zetten de weg af en bestuurden de wagens. Dat ben ik nooit vergeten.

Krupskaja
Ik liep die middag weg bij mijn baas. Voor het eerst deed ik toen mijn mond open, gaf mijn mening over de werktijden en zijn gewoonte om mij na werktijd erop uit te sturen naar die rotklanten van hem. Het was voor de derde keer in korte tijd dat ik naar een hoge Duitse officier een maatuniform moest brengen. De belevenis van die ochtend kon ik niet verwerken.Fred en Ida vlak na de oorlog

Ik had dus geen werk en dat viel thuis niet in het goede potje. Waarom ik ontslag genomen had zei mijn vader en moeder niets, want dat waren mijn zaken niet. Ik moest zorgen weer snel aan de slag te gaan: ik at en dronk, dus kostte geld.

Ik las in een krant een advertentie waarin een kleermakersleerling werd gezocht; een telefoonnummer stond er bij en ik belde meteen. Dat was niet zo moeilijk want in onze winkel was een telefoon. Diezelfde dag nog – het was zaterdag – kon ik komen. Het adres was Da Costastraat 5 iii.

Op dit adres zou mijn leven voorgoed een wending nemen. Ik belde aan moest drie hoge trappen oplopen en werd in een woonkamer binnen gelaten. Een kleine, kort gedrongen man stelde zich voor als Meijer. Hij vroeg mij een aantal dingen over mijn vakvaardigheden en waarom ik bij mijn vorige baas was weggelopen. Dat vertelde ik hem.

Ik herinner mij de stilte die viel. Hij zei mij dat ik tegen hem vrijuit kon praten. Het was hem duidelijk hoe ik over het een en ander dacht. Hij liet mij het atelier zien, dan kon ik gelijk een proef afleggen. Dat was het maken van een knoopsgat in een lap.

Niets vermoedend liep ik achter hem aan maar bijna bovenaan de trap kreeg ik de schrik van mijn leven Uit een donkere hoek van de zolder sprong een zwart beest op mij af met luid gegrom en happende kaken. Het dier zat vast aan een ketting, zodat het met een ruk werd tegengehouden.

Blij was ik niet maar Meijer bleef onverstoorbaar, zei er niets over en liet mij dat knoopsgat maken. Ik kon de maandag daarop beginnen en daarmee was de sollicitatie ten einde.

Ik aarzelde het atelier te verlaten maar Meijer stelde mij gerust en noemde de naam van de zwarte bouvier ‘Krupskaja’. Veel later kwam ik die naam opnieuw tegen, die hoorde bij de vrouw van de grondlegger van de toenmalige Sovjet Unie (Lenin). Het hoe en waarom daarvan is mij nooit duidelijk geworden. Waarom die bouvier zo vals gemaakt was ook niet.

Simon
Die maandagmorgen maakte ik op het atelier kennis met Simon Waterman. De eerste dagen spraken wij weinig met elkaar maar daarna ging dat steeds beter. Hij vertelde mij dat hij een Joodse jongen was. Wij werden steeds vertrouwelijker tegen elkaar.

Zo kreeg ik meer te horen hoe de Joodse mensen zich probeerden te handhaven onder de regels van de Duitse bezetter. Hij en zijn vrienden en vriendinnen hielden afscheidsfeestjes. Sommige van zijn vrienden en vriendinnen gingen ervan uit dat ze ver weg op het land moesten werken.

Simon zei dat hij beter wist. Hij weigerde de gehate gele Davidsster te dragen, in die dagen een dappere daad. Hij was gek van Engelse liedjes. Grammofoonplaten werden op hun “feestjes” zacht gedraaid. Soms neuriede hij een wijsje. Dat ging over een paraplu (umbrella). Lange tijd heb ik ook na de bevrijding nog dat melodietje in mijn hoofd gehad.

Op een morgen kwam hij veel later op het werk en kwam niet direct naar het atelier. Hij bleef lang beneden. Daarna kwam hij op zijn werkplek zitten en was zeer teneergeslagen.

Ik durfde hem niet aan te spreken totdat hij mij zei dat het gezin een oproep had gekregen om zich voor deportatie te melden. Hij vroeg mij of ik hem wilde helpen. De bedoeling was, dat ik mijn persoonsbewijs, dat alle mensen bij zich moesten dragen, aan hem zou geven. Niemand kon dan nog zien dat hij Joods was.

Hoewel zijn leeftijd helemaal niet met die van mij klopte, zou ik dat toch wel gedaan hebben. Maar het toeval speelde opnieuw een grote rol. Ik was lid van een korfbalvereniging TOGO. Tijdens een wedstrijd raakte ik geblesseerd en ging naar de kleedkamer. Op die middag pikte ik toen een persoonsbewijs. Ik zit er nog steeds mee als ik denk aan die man die daar misschien wel moeilijkheden mee heeft gekregen. Maar het staat vast dat zijn leven daarbij niet op het spel heeft gestaan. Niettemin moet ik nog vaak aan die metaalarbeider denken, omdat hij in een straat woonde waar ik nog vaak door heen kom.

‘s Maandags heb ik het gepikte persoonsbewijs aan Simon gegeven. Hij was sprakeloos, liet zijn werk liggen en liep naar beneden. Ik heb hem die dag niet meer teruggezien. Later kwam Meijer op het atelier en heeft mij er heel stevig op gewezen dat niemand, ook mijn ouders niet, hier iets van mocht weten.

De familie Meijer verhuisde naar de Betuwe. Mevrouw als eerste om bij te komen van een wespensteek in haar enkel. Het atelier werd opgeheven en ook voor mij begon een ander leven.

Simon heb ik nog een keer getroffen. In Castricum waar hij bij een kleermaker was ondergedoken. De afspraak kwam tot stand omdat Meijer bij mijn ouders was geweest en had verteld dat Simon op het perron van Castricum op mij zou staan wachten.

Simon stond er inderdaad. Ik trof een bleke jonge man die ik wel direct herkende maar niet de Simon was van enkele maanden daarvoor. Het had die dag geregend, we konden dus nergens zitten en een café bezoeken voor een kopje koffie was er natuurlijk niet bij. We hebben wat gewandeld tot dat ik weer op de trein terugging naar Amsterdam. Veel meer dan vragen naar de omstandigheden van elkaar kwamen we niet.

Simon was zeer down en van zijn levenslust was niets meer over. Vertrouwen in de toekomst had hij niet. Alles en iedereen en ook zijn meisje waren weg, hij zag het niet meer zitten. “Niemand zal er nog zijn als ik het er levend van afbreng” waren zijn afscheidswoorden.

Later, veel later, toen ik twee maanden na de bevrijding terugkeerde naar huis hoorde ik dat Simon de bevrijding heeft meegemaakt maar dat hij was omgekomen bij een ongeluk met een Canadese Jeep.

De Waarheid
Het leven ging verder en ik raakte betrokken bij de verspreiding van illegale kranten en zamelde daarbij geld in voor het solidariteitsfonds. Door verraad werden de bewoners van mijn onderduikadres gearresteerd en ook ik liep in de val.

Bij de huiszoeking vonden ze in kastje boven mijn bed een pakje dat ik in bewaring had. Bij het openmaken bleek er een wapen en patronen in te zitten. Ik wist daar echt niets van want ik had het alleen maar in bewaring.

De gevolgen waren niet mals en mijn arrestatie volgde. Revolvers heb ik niet gedragen en ik heb dus ook niet geschoten. Ik was te jong om dergelijke opdrachten uit te voeren.

Later heb ik wel geleerd om met wapens om te gaan. Dat was na de oorlog in de jaren na 1945. Toen heb ik geweigerd als dienstplichtige aan de oorlog in Indonesië (toen noemden we dat Nederlandsch Indië) deel te nemen.

Kampnummer 6704
Het verraad bracht mij via de Euterpestraat naar de gevangenis op de Amstelveense weg en daarna naar het concentratiekamp Amersfoort. Mijn kampnummer was 6704. Ik was de jongste in dat kamp maar toen de razzia’s in de grote steden begonnen, kwamen er nog jongere mensen binnen.

Ik werd op transport gesteld maar die trein strandde in Zwolle en wij werden gevangen gezet in de Buitensociëteit. Door de bombardementen in de grensstreek was ook het spoorwegnet vernield en kon de trein niet verder.
Bewijs uit het huis van bewaring in Amsterdam

Later, uit de boeken van dr. L.de Jong over de Tweede Wereld Oorlog, begreep ik enorm veel geluk te hebben gehad. Want het einddoel van dat transport was Neuengamme (een verschrikkelijk concentratiekamp) geweest. Met nog twee anderen lukte het me om uit de Buitensociëteit in Zwolle te ontsnappen.

Bewijs uit het huis van bewaring in Amsterdam

Binnenlandse Strijdkrachten
Zo heb ik verder ondergedoken geleefd in Overijssel en heb mij aangesloten bij de Binnenlandse Strijdkrachten die daar goed georganiseerd waren. Na april 1945 liggen dan mijn activiteiten bij het opsporen en aanhouden van Duitse soldaten en hun helpers.

Fred Bergfeld