Verhaal van Cor
We zijn geen helden
Het verhaal van tijdgetuige Cor Jager *17-08-1925 †1-12-2001
Duitse soldaat in de Lekstraat die na bevrijding wordt ontwapend (uit: Gemeentelijke Archiefdienst Amsterdam)Mijn verzet kwam eigenlijk voort uit overleven. Als je niet at dan ging je dood. Dus ging je eten halen als het er niet was. Boter uit Friesland en graan uit Brabant. Je zag op een gegeven moment mensen op straat voor je deur sterven. Dus haalde je niet alleen eten voor jezelf en je familie maar ook voor oude mensen, voor kinderen en natuurlijk voor onderduikers.
Eten halen was niet zo maar zonder gevaar. Dikwijls kwam je na tientallen, soms wel honderd kilometer lopen, slepen en fietsen met jouw voedselschat terug bij de stad en daar stonden ze dan: de moffen. Alles werd in beslag genomen. Als je identiteitskaart niet in orde was, werd je onmiddellijk gearresteerd, opgesloten en hardhandig ondervraagd over wie je was, waar je werkte en waar je dat voedsel vandaan had en voor wie dat wel was.
“Je laat iemand toch niet zomaar dood gaan.”De oorlog begon voor mij echt in oktober 1940 met vaders illegaal personeelsblaadje van de spoorwegen. Verzetswerk begon voor mij aan de Belgische grens toen ik als 17-jarige als een soort van padvinder voor afleidingsmanoeuvres moest zorgen voor het volwassenen verzet dat toen zo’n beetje aanving. Je had eigenlijk niet door dat je met je leven speelde. Met bonkaarten frauderen of onderduikers van voedsel voorzien was een misdaad waarop de doodstraf kon volgen.
Aangehouden ben ik eigenlijk maar één keer. Wij waren spoorwegbielsen aan het jatten. “Opa deed gewoon wat hij moest doen.”Ten eerste omdat het heerlijk brandhout was in de potkachel thuis en ten tweede konden de Poolse krijgsgevangen dan niet meer het spoor in opdracht van de Duitsers herstellen. Vanuit de mist liepen wij recht in de armen van een Duitse patrouille. Doordat ik juist voor de arrestatie bij het oversteken van een slootje door het ijs was gezakt en daardoor drijfnat was, kreeg ik toestemming om warm te worden. Ik mocht in een kringetje van vijf meter blijven lopen rondom de gewapende Duitse bewaker. Die vijf meter werden er zes, toen zeven, toen tien en toen was ik weg. Zes kogels om mijn oren en zijn geweer was leeg. Gewoon mazzel, dat had je nodig in die dagen.
“Mijn kleindochter is trots op me en ik op haar.”Tijdens de voorlichting over die afschuwelijke oorlogstijd op de school van mijn kleindochter, zei zij “mijn Opa was een held in de oorlog”. Met een rood hoofd heb ik de kinderen verteld dat haar Opa helemaal geen held was. Hij deed gewoon wat hij moest doen om te overleven voor zichzelf maar ook voor de buurman en de buurvrouw. Je laat toch niemand zo maar doodgaan. Je handelt naar je geweten en daar heeft het held zijn niets mee te maken.