Toespraak Nico Markus tijdens de herdenking op 4 mei 2018 op Rozenoord

Toespraak Nico Markus tijdens de herdenking op 4 mei 2018 op Rozenoord

Dames en heren, en vooral: beste jongens en meisjes,

Ik ben een aantal jaren geschiedenisleraar geweest op het Vossius Gymnasium, de school hier vlakbij in de Messchaertstraat. Een verre voorganger van mij op die school was Jacques Presser, of zoals hij eigenlijk heette: Jacob Presser. Over hem wil ik jullie graag iets vertellen.

Jacob Presser werd in 1899 geboren in een joods gezin in een klein huisje aan het Waterlooplein. Zijn vader was, evenals veel andere joodse Amsterdammers, een arme diamantbewerker. Hij was lid van de ANDB, de vakbond voor Diamantbewerkers onder leiding van Henri Polak. Hier leerde hij dat kunst en cultuur én een goede schoolopleiding niet alleen voor de rijken is, maar dat gewone mensen hier ook recht op hebben. Zijn zoon Jacob speelde al vroeg piano, bezocht vanaf zijn 10de regelmatig het Concertgebouw en studeerde na zijn middelbare schooltijd geschiedenis. In 1926 werd hij geschiedenisleraar op het Vossius Gymnasium. En na een paar jaar ging hij ook les geven op een avondschool waar onderwijzers van de basisschool een diploma konden halen om les te gaan geven op de middelbare school.
Iedereen kende Jacob als Jacques, de naam waarmee zijn moeder hem als kleuter al aansprak, omdat ze te vaak anti-joodse geluiden om haar heen hoorde. Zij had een angstig voorgevoel dat joden óók in het democratische Nederland ooit weer het slachtoffer zouden kunnen worden van haat en vervolging en dan kon je maar beter niet een joodse naam als ‘Jacob’ dragen.

Jacques Presser was een leraar die geliefd was bij zijn leerlingen. Hij liep met hen door Amsterdam om oude gevels te bekijken. Hij gaf quizzen, ging naar het Rijksmuseum, liet zijn leerlingen fotograferen en bracht hen in contact met klassieke muziek. Veel van zijn leerlingen waren joods en ze wilden, net als hij, iets bereiken in het leven. Eén van zijn joodse leerlingen, Deborah ofwel Dé Appel, werd verliefd op haar geschiedenisleraar. Dát ging maar niet over en toen ze volwassen was en allang studeerde aan de universiteit, zocht ze Jacques op en niet lang daarna trouwden ze. Ze huurden een woning op de Roerstraat 68 II, vlakbij het Vossius Gymnasium en om de hoek bij Anne Frank. De Pressers waren volmaakt gelukkig met elkaar en met hun leven in de Rivierenbuurt. Toen kwam de oorlog…

Aanvankelijk leek het allemaal wel mee te vallen. De Duitse bezetter probeerde goodwill te kweken bij de Nederlandse bevolking en dan moet je niet te hard van stapel lopen. Maar langzaamaan veranderde deze vriendelijke houding. Joden werden stapje voor stapje apart gezet, geïsoleerd. Joodse leraren werden ontslagen. Joden mochten niet meer in zwembaden, parken, theaters, bioscopen en bibliotheken. Joden kregen aparte ‘Joodse markten’, waarvan er één op de Gaaspstraat, op het plein waar nu de speeltuin is. Joden mochten na een tijdje niet meer met de trein of bus en om dat allemaal goed in de gaten te kunnen houden, kregen joden een ‘J’ in hun paspoort. Op hun kleding moesten ze, goed zichtbaar, een gele ster met het woord ‘Jood’ dragen.

In het begin konden Jacques en Dé nog hard lachen om een tekst die een Amsterdammer in grote letters op een muur had gekalkt: ‘Rotmoffen, blijf met jullie rotpoten van onze rotjoden af’. Maar toen in september 1941 joodse kinderen niet langer bij niet-joodse kinderen op school mochten zitten en er aparte joodse scholen kwamen, was het lachen ze wel vergaan. Jacques Presser werd verplicht les te gaan geven op het nieuw opgerichte Joods Lyceum. De klassen werden steeds kleiner. Veel leerlingen werden met hun ouders opgepakt en verdwenen via kamp Westerbork naar de zogenaamde ‘werkkampen’ in Oost-Europa. Andere leerlingen doken onder waardoor het leek of ze van de aardbodem waren verdwenen. Dé en Jacques wilden niet onderduiken, omdat ze hun gelukkige leven samen niet wilden opgeven. Maar toen Dé op 18 maart 1943 met een vervalst paspoort (zonder ‘j’) werd aangehouden op het station van Ede-Wageningen en ze die avond niet thuiskwam, werd Jacques er door zijn zwager van overtuigd dat hij moest onderduiken. Dé was naar kamp Westerbork in Drenthe gestuurd. Na een paar dagen is ze daar in een trein geperst en direct na aankomst in het Poolse Sobibor is ze in het vernietigingskamp vermoord.

Jacques Presser heeft de oorlog overleefd dankzij Jan de Rek, een leerling van hem aan de avondschool. Jan de Rek en zijn vrouw Kootje uit Lunteren op de Veluwe hebben met gevaar voor eigen leven tientallen joden gered door schuilplaatsen voor hen te regelen. Het leven van Jan en Kootje hing geregeld aan een zijden draadje. Het was meer geluk dan wijsheid dat ze de oorlog hebben overleefd.
Veel anderen uit het verzet hadden dat geluk niet. Zoals bijvoorbeeld dokter Ittmann die in een ziekenhuis in Amsterdam werkte. Ook hij hielp joodse onderduikers als ze ziek waren en daarnaast deed hij allerlei andere klussen voor het verzet. Iemand heeft hem verraden en hij belandde in de gevangenis. Op 7 februari 1945 is hij, samen met vier andere verzetsstrijders, op deze plek door de bezetters doodgeschoten. Het pad dat naar dit monument voert, is naar dokter Ittmann vernoemd.

Tot slot vraag ik me nog iets af. Ik woon alweer heel lang, heel gelukkig in de Rivierenbuurt. Maar zou de geschiedenis zich kunnen herhalen? Ik ben er wel eens bang voor. Zo hoorde ik laatst iemand in Rijnstraat heel hard in zijn telefoon, vlak naast mijn oor de naam van een ziekte roepen met daar achteraan het woord ‘jood’. Ook heb ik al verschillende keren mensen het woord “Marokkaan’ horen zeggen met daarvoor een raar woord voor het vrouwelijk geslachtsorgaan. Bij de zuurwarenwinkel De Leeuw, bij mij om de hoek, krijgen de medewerkers soms scheldkanonnades tegen joden over zich heen. Bij sollicitaties heeft iemand met de naam Fatima of Mohammed vijftig procent minder kans op het krijgen van een baan dan iemand die de naam ‘Marie’ of ‘Jan’ draagt. Laten we waakzaam blijven en dit soort zaken niet tolereren. Want zoals mijn oude moeder nog altijd pleegt te zeggen:

‘Het begint altijd met meppen en het eindigt met moord!’